In Studie
Na de Missa Breve van Th. Dubois, het Magnificat van H. Andriessen, de Missa Huc ad Regem Pastorum van Albert de Klerk en de mis van Lotti, zijn de volgende stukken in studie genomen:
Kyrie uit Missa da Requiem Perosi
Stabat Mater Joseph Rheinberger (1839-1901)
Deel I
Deel II
Deel III
Deel IV
Deel V
Stabat Mater
Stabat mater dolorosa zijn de beginwoorden van een gedicht over Maria die lijdt om haar gekruisigde Zoon. Onduidelijk is wie de auteur is van het Stabat Mater is geweest. Het vermoeden bestaat dat de oudste versie in de dertiende eeuw in Frankrijk of Italië is ontstaan. Lange tijd werd het toegeschreven aan de franciscaan Jacopone da Todi (circa 1230-1306), maar ook paus Innocentius III en Johannes Bonaventura werden genoemd als mogelijke auteurs.
De dichter van het Stabat Mater heeft twee bijbelse gebeurtenissen als uitgangspunt van zijn gedicht genomen: Jezus kruisdood en de voorspelling van Maria's smart. In het Johannes evangelie (19, 25) wordt verhaald over Maria die onder het kruis stond toen Jezus werd gekruisigd. In het Evangelie van Lucas (2, 35) vinden we het verhaal van de ziener Simeon, die, toen hij in de Tempel van Jeruzalem het pasgeboren Jezus zag, een voorspelling deed: ‘Deze jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn – ook door uw [Maria’s] ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in veler harten omgaat.’
Waarschijnlijk was de tekst van het Stabat Mater oorspronkelijk bedoeld voor persoonlijke meditatie, gewijd aan het lijden van Christus en het verdriet van Maria hierover. Ook heeft het gediend als processiegezang bij boetetocht en kruisweg. In het Missale Romanum van 1570 werd het als tussenzang opgenomen in de dodenmis en op de vrijdag na passiezondag. Tot 1969 viel de passiezondag op de één-na-laatste zondag voor Pasen en dus op de zondag vóór palmzondag. Er was sprake van een passie- of lijdenstijd die de laatste twee weken van de Veertigdagentijd besloeg. In die periode richtte de Kerk zich volledig op het lijden en de dood van Jezus. Sinds het nieuwe Calendarium van 1969 valt de passietijd echter samen met de Goede Week. Passiezondag en palmzondag vallen dientengevolge op één en dezelfde dag, de zondag voorafgaand aan Pasen. Sinds 1727 behoort de sequentie tot de Rooms-katholieke misgezangen van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten (15 september). In aanvulling hierop werd de hymne ook nog verdeeld over de vespers, metten en lauden van deze gedenkdag.
Onze-Lieve-Vrouw van Smarten
Op Onze-Lieve-Vrouw van Smarten, gedenkt de Rooms-katholieke Kerk de zeven smarten van Maria :
De profetie van
Simeon
in de
Tempel
bij het opdragen van Jezus
De
vlucht
naar Egypte
Het zoek raken van Jezus in de Tempel
Ontmoeting van Maria met Jezus op weg naar de
Calvarieberg
Maria staat onder Jezus' kruis
Maria omhelst Jezus' dode lichaam na de
kruisafname
Jezus wordt begraven
De zeven smarten vormen voor veel katholieken een populaire vorm van devotie. De gebeden bestaan uit meditaties op de zeven smarten. Voorbeelden hiervan zijn de rozenkrans en het rozenhoedje van de zeven smarten van Maria.
In de iconografie wordt Onze-Lieve-Vrouw van zeven Smarten afgebeeld als een vrouw van wie het hart doorstoken is met zeven zwaarden. In Vlaanderen is ze ook bekend als Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën; in Spanje als Maria Santissima Dolorosa.
Rheinberger
Het Stabat Mater heeft mede door zijn dramatische lading vele componisten geïnspireerd tot prachtige composities. Voorbeelden hiervan zijn Palestrina, Pergolesi, Haydn, Rossini, en Dvořák. Maar ook Joseph Gabriel Rheinberger heeft deze tekst getoonzet.
Joseph Gabriel Rheinberger (1839-1901) speelde zijn eerste missen al op 7-jarige leeftijd. Op zijn twaalfde begon hij met studeren aan het conservatorium van München. In 1859 publiceerde hij eindelijk na meer dan honderd werken gecomponeerd te hebben, zijn opus 1. Na zijn studie bleef hij op het conservatorium, maar nu als docent. Hij groeide uit tot één van de meest geprezen leraren, die volgens de critici van zijn tijd zijn gelijke niet kende.
In 1877 werd Rheinberger benoemd tot Hofkapellmeister door Ludwig de Tweede van Beieren, die hem de verantwoordelijkheid gaf over de muziek in de Koninklijke kapel. Eén van de eerste werken die hij daar componeerde was zijn geweldige Mis in Es op. 109 voor dubbelkoor, die hij opdroeg aan Paus Leo XII.
Het “kleine” Stabat Mater opus 138 vindt zijn oorsprong in Rheinbergers over het algemeen slechte gezondheid. Vele jaren had hij te kampen met problemen aan zijn rechterhand, waardoor het musiceren en componeren vrijwel onmogelijk was. In de eerste helft van 1884 had hij zelfs te kampen met een open zweer aan zijn hand, waarvoor hij in de zomer therapie kreeg in Wildbad Kreuth. Hier verminderde de pijn aanzienlijk. Later zou hij aan zijn vrouw vertellen dat hij de maagd Maria de plechtige belofte had gedaan dat als zijn gezondheid zou verbeteren hij een Stabat Mater zou componeren.
In tegenstelling tot zijn eerste Stabat Mater dat hij twintig jaar eerder componeerde kenmerkt dit werk zich door een sterke naarbinnengekeerdheid en een beperkt gebruik van voor die tijd moderne harmonieën. Op die manier creëerde hij een bijna tijdloze sacrale stijl, dat het algemene kenmerk zou worden van al zijn latere religieuze werken.
Het werk valt uiteen in 4 delen. De eerste drie delen zijn volledig homofoon. Pas in het vierde deel zien we de eerste voorzichtige polyfonie verschijnen. Hier wordt uitdrukking gegeven aan het woord kruis (laat het kruis mij beschermen). Zowel het eerste als het derde deel zijn gecomponeerd in een driedelige maatsoort. Het tweede en vierde deel beginnen beide met een vierkwartsmaat. De compositie heeft dus een kruisvormig grondplan. Het vierde deel eindigt met een korte maar imponerende fuga op de tekst “Quando corpus morietur, fac, ut animae donetur Paradisi gloria”.
Deze Stabat Mater-compositie is dus duidelijk bedoeld voor een liturgische setting. Het trekt niet de aandacht door zijn excessieve lengte of opvallende decoratieve elementen. In plaats daarvan is het een werk dat is ontdaan van alle opsmuk en zich kenmerkt door eenvoud en een effectief gebruik van vorm en stijl, dat juist in zijn beperkingen uitdrukking geeft aan Rheinbergers geloof.
|
1 |
Stabat Mater dolorosa Iuxta crucem lacrimosa Dum pendebat Filius |
De diepbedroefde Moeder Stond wenend bij het kruis Terwijl haar Zoon daar hing. |
|
2 |
Cuius animam gementem Contristatam et dolentem Pertransivit gladius |
Haar klagende ziel, Medelijdend en vol smart, Werd als door een zwaard doorstoken |
|
3 |
O quam tristis et afflicta Fuit illa benedicta Mater unigeniti! |
O hoe bedroefd en aangedaan Was die gezegende Moeder van de Enig-geborene! |
|
4 |
Quae moerebat et dolebat, Pia Mater, dum videbat Nati poenas incliti |
Die rouwde en treurde, de vrome Moeder, terwijl ze zag De foltering van haar glorieuze zoon |
|
5 |
Quis est homo qui non fleret, Christi Matrem si videret In tanto supplicio? |
Welk mens zou niet huilen Bij het zien van Christus' Moeder In zo'n marteling? |
|
6 |
Quis non posset contristari, Piam Matrem contemplari Dolentem cum Filio? |
Wie zou niet mede lijden Bij het aanschouwen van de vrome Moeder Lijdend samen met haar Zoon? |
|
7 |
Pro peccatis suae gentis Vidit Iesum in tormentis, Et flagellis subditum. |
Voor de zonden van zijn volk Zag zij Jesus bij de folteringen En een geseling ondergaan |
|
8 |
Vidit suum dulcem natum Moriendo desolatum Dum emisit spiritum |
Zag zij haar geliefde zoon Sterven in eenzaamheid Toen hij de geest gaf |
|
9 |
Eia Mater, fons amoris Me sentire vim doloris Fac, ut tecum lugeam |
Ach Moeder, bron van liefde Laat mij de kracht van het verdriet voelen Opdat ik met U treuren kan |
|
10 |
Fac, ut ardeat cor meum In amando Christum Deum Ut sibi complaceam |
Maak dat mijn hart gaat branden Bij het houden van Christus de Heer, Opdat ik Hem behage |
|
11 |
Sancta Mater, istud agas, Crucifixi fige plagas Cordi meo valide. |
Heilige Moeder, zorg ervoor, Grif de wonden van de gekruisigde Diep in mijn hart |
|
12 |
Tui nati vulnerati, Tam dignati pro me pati, Poenas mecum divide. |
Van uw gewonde zoon Die zich verwaardigde zo voor mij te lijden, Deel met mij zijn pijnen |
|
13 |
Fac me tecum, pie, flere Crucifixo condolere, Donec ego vixero. |
Laat mij, vrome, met u wenen De gekruisigde beklagen Zolang ik leef |
|
14 |
Iuxta crucem tecum stare, Et me tibi sociare In planctu desidero |
Met U bij het kruis staan En met U te delen In uw klagen wil ik |
|
15 |
Virgo virginum praeclara, Mihi iam non sis amara Fac me tecum plangere |
Uitverkoren Maagd der Maagden Moge U voor mij niet meer verbitterd zijn Laat mij met U klagen |
|
16 |
Fac, ut portem Christi mortem Passionis fac consortem Et plagas recolere. |
Laat mij dragen Christus dood En deelhebben aan zijn lijden En zijn wonden gedenken |
|
17
|
Fac me plagis vulnerari, Fac me cruce inebriari Et cruore Filii |
Laat zijn wonden mij wonden Laat mij in een roes brengen door het kruis En het bloed van de Zoon |
|
18 |
Inflammatus et accensus Per Te, Virgo, sim defensus In die iudicii. |
In vlam gezet en aangestoken, Door U, Maagd, moge ik verdedigd worden Op de dag des oordeels |
|
19 |
Fac me cruce custodiri |
Laat het
kruis mij beschermen |
|
20 |
Quando corpus morietur, Fac, ut animae donetur Paradisi gloria. Amen. |
Als mijn lichaam sterft Maak dat mijn ziel gegeven wordt De glorie van het Paradijs! |
